De bloemen staan heel mooi in hun bedden, de serre met cactussen is open, Engelse toeristen lopen al keuvelend op en af. Genietend van het geroezemoes zit ik op een bankje in de zon en uit de wind. Eén voor één gaat er een kledingstuk uit, ik weet op tijd te stoppen, en voel de zon op mijn voeten. Het wordt bijna te heet, maar ik blijf toch nog even liggen, een zonnevoorraadje opdoen voor regenachtigere tijden.
Wat later sta ik de kois te bewonderen in één van de vijvertjes. De beesten zijn duidelijk gewend aan bezoek want ze zwemmen meteen tot waar ik sta en beginnen naar eten te zoeken. Ik buk me om beter te kunnen kijken. Het zijn er zes en eentje lijkt me the leader of the gang: waar hij zwemt, volgt de rest. Als een stofzuiger speurt hij de rand van het vijvertje af.
Dan zie ik plots een tweede mond verschijnen uit de bek van die koi.
Iek.
Dat ziet er in eerste instantie een beetje vies uit, maar ook wel fascinerend.
Hoe zou dat voelen?
Stel u voor dat wij dat ook zouden kunnen, onze mond ineens 3 centimeter langer maken. Naast mij staat een jong meisje ook naar de kois te kijken. We geraken aan de praat. Ze heeft een heldere, vrolijke uitstraling. Ik wijs haar op die gekke bek van de koi, ze is meteen gefascineerd en steekt er bijna haar vinger in. Haar mama komt tussenbeide en maant haar tot voorzichtigheid. Het meisje vraagt zich af of die grote vissen de kleintjes opeten.
Ik geef haar een hand en we blijven zo even staan,
"Bedankt om voor het praten", zegt ze stralend en weg zijn ze, dit sprankelende meisje en haar Nepalese mama.